Aug 302015
 

vluchtelingen

Stel je voor dat ik op de vlucht moet omdat hier engerds zijn gekomen. Dan moet ik weg uit mijn huis, mijn buurt, mijn land en met mijn kinderen en liefje weg naar een plek die ik nog niet ken. Weg. Weg. Weg! Niets meenemen, een tasje, een telefoon en rennen.

Dat kan ik me helemaal niet voorstellen. Hier komen zulke engerds toch niet?

Dat denk ik, maar ik weet het niet. Misschien kan het toch? Niemand in een oorlogsgebied van nu dacht dat ’t hen ooit zou overkomen. Het gebeurde toch. Als het hen gebeurt dan kan het mij blijkbaar ook overkomen. En dan moet ik weg naar een plek waar ik safe ben, waar ik weer iets opnieuw kan opbouwen. Maar waar ik vooral safe ben. Dat er geen raket op mijn hoofd ontploft, geen bom onder een auto, geen vuilnisbak in mijn gezicht.

Als dat gebeurt heb ik het nodig dat ik ergens welkom ben. Dat vreemde mensen mij willen helpen en me een duwtje in de rug geven.

De vluchtelingen van nu maken precies dat niet mee. Ze komen in een Europa dat prikkeldraad spant, dat muren bouwt om “gelukszoekers” tegen te houden. Ze komen in een werelddeel dat om hen lacht. Jongeren delen foto’s op Facebook van vluchtelingen die dood zijn en vinden dat een prettig gezicht. Ik schrik daarvan. Want als het hier gebeurt en ik moet op de vlucht, en ze doen ergens anders zo tegen mij en mijn kinderen, vrouw, neefjes en nichtjes, waar moet ik dan heen? Dan kan ik helemaal nergens heen en ben ik overgeleverd aan de engerds.

De sensatiekrant Bild in Duitsland gaat helpen. Dat is ongeveer de laatste partij van wie je het verwacht. Wij moeten ook helpen. Er staan honderden kantoorgebouwen en kazernes leeg waarin we mensen kunnen opvangen. Dat kunnen we met elkaar.

Sorry, the comment form is closed at this time.