In de zomer van 2010 trok Leo Blokhuis door het zuiden van de Verenigde Staten. Hij werkte aan the Sound of the South, over de countrysoul van Percy Sledge, Etta James, Solomon Burke, Wilson Pickett en veel anderen. De muziek uit mijn jeugd, van voordat ik wist dat het mijn muziek was.
De reis van Leo Blokhuis was goed te volgen via Twitter. Hij vertelde waar hij was, dat hij stil stond op een brugje over de Tennesse River, dat-ie in Nashville en Memphis was, en in New Orleans. Dankzij zijn tweets kon je the South bijna ruiken …
Hij ging mijn muziek opzoeken.
Ik zat rond 1970 op een gereformeerde school in Rotterdam en liep de paden af die iedereen afliep. Ik herinner dat een plaatje van The Middle of the Road mijn oren opende voor muziek, The Les Humphrey’s Singers deden er nog een schepje boven op, ik moet 13 geweest zijn, de single Sacramento is van 1972, ik hoorde het tijdens een gereformeerde jeugdvereniging-avond aan huis bij de familie Siccama.
Arno, een schoolgenoot in de brugklas, had toen al de woorden ‘The Who’ op zijn etui gezet had. Ik wist destijds nog niet wat dat was maar die sign posting veroorzaakte vermoedelijk later wel de aanschaf van Tommy. Dat was mijn eerste LP, de tweede was Million Dollar Babies van Alice Cooper. Daarna volgden oa. 461 Ocean Boulevard van Eric Clapton en Inagaddadavida van Iron Butterfly. Toen was ik los en ging ‘t pad op van (hard- en prog-)rock maar met een gelijktijdige voorkeur voor singer-songwriters, country, Americana. Pas veel later soul, en dan specifiek de 70′s soul – niet de latere disco, al heb ik goede herinneringen aan Disco Inferno van The Tramps.
Leo Blokhuis is bijna net zo oud als ik. Hij komt uit Schiedam, zoon van een dominee, ik uit Rotterdam-Ommoord, oudste zoon in een zwaar gereformeerd gezin. De ontwikkeling van Blokhuis en mij verliep overzichtelijk identiek, ik kan mijn muzikale start teruglezen in zijn boeken en ook op mijn middelbare school had je een strikte onderverdeling tussen soul en blues. Ik was blues, spijkerbroek met wijde pijpen, afghaanse jas, spijkerjackie, groene parka, een pukkel als tas en een Puch als vervoermiddel, geen Zündapp. Eén soul-vriendin hadden we maar in ons groepje, Mandy heette ze, maar verder verkeerden we onder gelijkgestemden, we luisterden we naar Bob Dylan, Jackson Browne, The Who.
Soul was niet voor ons. Maar je ziet het al aan het lijstje: wij herkenden soul nog niet zo goed, we waren er nog niet zo klaar voor.
Dat bleef ook lang zo. De stedelijke Chicago- en Detroit-soul veranderde in disco, denk aan “Rock me Baby” van George MacGray, en in de keukenzaak waar ik na de Havo een tijdje werkte vermoordden ze Percy Sledge, Otis Redding en anderen door ze stuk te draaien op eindeloze muziektapes. Dat hielp me zeker niet bij de acceptatie van al dat moois maar het is goed gekomen, ik ben al jaren soul knakker.
Mijn andere kant is country. Emmylou Harris-fan sinds haar eerste album en alles in dat genre vindt een zeer gewillig oor. Onlangs nog waren we in Antwerpen bij Gillian Welch. “Walk a mile in my shoes”, komt u maar, het kan nooit genoeg zijn, ik word er vrolijk en gelukkig van.
Countrysoul is de mengeling van die twee, de muziek van het zuiden van Amerika, de muziek uit het land van de vicious racists (citaat), van de rednecks, van de grote Afro-American communities. Ben je ook liefhebber? Dan raad ik het soundbook van Blokhuis aan, een mooiere collectie is nauwelijks te vinden.
Dankzij Twitter wist ik dat Blokhuis in Amerika was en ook wat-ie aan het doen was. Zijn album zat er aan te komen en ik wachtte daar op. Twitter gaf me informatie en hield me op de hoogte. Voor mij belangrijk, die muziek is voor mij van belang en als er wat gebeurt wil ik het weten.
Voor Blokhuis is Twitter een goed medium, hij is aantrekkelijk om te volgen omdat hij een product verkoopt waar veel mensen van houden. Hij is dus “sexy” en daarom heeft hij veel volgers (32.168 op het moment van schrijven).
Nu wij nog. Nu u nog. Wat verkopen u en ik dat zo sexy is dat mensen ons willen volgen?

